In een van mijn archiefmappen zit nog een tekening die Marianne,opgeschoten kind van negen, op mijn verjaardag op mijn bureau legde: "Voor de liefste meester van de wereld". Het eerste jaar nadat ik als onderwijzer overstapte van de basisschool naar de mavo, had ik elke zondagavond dezelfde inslaapgedachte. Ik wilde terug naar die derde klas die zes uur per dag, vijf dagen in de week, tien maanden per jaar mijn klas was. De kinderen die vochten om in het speelkwartier met je op te lopen over de speelplaats. De kinderen die je per ongeluk "mama" noemden. De kinderen ook die het jaar erna hand in hand liepen met de volgende juf.Mijn mavo-leerlingen hadden die kinderlijke aanhankelijkheid afgelegd. Ze verdwenen na een lesuur uit je zicht. Het waren jongvolwassenen die uitstraalden je niet nodig te hebben. Mieske vroeg stoer: "Mister, godde mee biljarten". En Gerrie keek verontwaardigd op, als je over haar schouder meekeek naar de tekeningetjes die ze in haar schrift maakte. Pas later leerde ik ook hun taal van genegenheid te verstaan.